Protestantse Zending

Stichting de Zending der Protestantse Kerk in Nederland

Levensbeschrijvingen van zendelingen

Van een toenemend aantal zendingsmensen zijn nadere beschrijvingen beschikbaar. De meest uitgebreide zijn van de hand van dr. Th. van den End in het kader van een beschrijving van gedeponeerde archieven van de Raad voor de Zending, thans in bruikleen bij Het Utrechts Archief (deze zijn met een* gemarkeerd). Dat kunnen zendelingen/zendingsarbeiders zijn maar ook bestuurders en uitvoerend secretarissen van de genootschappen of de Raad voor de Zending der Nederlandse Hervormde Kerk of van de zendingsopleidingen. Weet u van beschrijvingen of heeft u er beschikbaar neemt u dan contact op met de administrateur voor toevoeging in deze databank.

De beschikbare beschrijvingen zijn in alfabetische volgorde van de achternaam, eventueel nader per voorletters opgenomen.

Alphen, A.D. van
Baars, D.J.
Bootsma, H.
Dake, W.J.L.
Doorn, C.L. van
Durkstra, E.
Enklaar, I.H.
Geus-Smelt, M.J. de
Grijns, C.D.
Gunning, C.H.C.
Gunning, J.W.
Hildering, H.A.C.
Hoven van Genderen, G. van den
Jansen Schoonhoven, E.
Kamma, F.C.
Kraemer, H.
Kruyt, A.C.
Kruyt, J.
Linde, S. van der
Locher, G.P.H.
Neumann, H.
Randwijck, S.C. Graaf van
Rasker, A.J.
Schuyt, P.
Storm, G.C.
Swaan-Koopman, C.
Verdoorn, J.A.
Visch, H.J.
Wiersema, J.S.


Beschrijvingen


Alphen, A.D. van *
Zuster Alida Daniëlle van Alphen (1906-1997) werd geboren te Rotterdam. In 1948 vertrok zij als zendingsverpleegster naar Halmahera; van 1950 tot 1951 en 1952-1960 was zij als administratieve kracht verbonden aan het kantoor van de Gereja Kristen Pasundan te Bandung. In 1951-1952 was zij verbonden aan de Theologische Hogeschool te Soë.


Baars, D.J.*
D.J. Baars (1907-2000) was van 1938 tot 1950 zendeling-leraar in Midden-Celebes (1938-1940 Wana, 1940-1942 en 1947-1951 Luwuk-Banggai) en 1951-1959 zendingspredikant in Nieuw-Guinea (Sarmi), vervolgens predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Een groot deel van de stukken in dit gedeponeerd archief is gesteld in het Indonesisch.

Bootsma, H.*
Drs. H. Bootsma (1930-1993) was 1956-1960 docent scheikunde aan de lerarenopleiding (B1-B2 Kimia) te Soerabaja, 1960-1964 assistant professor aan de Universiteit van Addis Abeba, 1964-1967 education expert van de UNESCO in Nigeria. Van 1967 tot 1971 was hij secretaris Indonesië van de Raad voor de Zending; in 1971 volgde hij dr. G.P.H. Locher op als algemeen secretaris. Literatuur: “Maar eens zei ik ja”. Liber amicorum voor drs H. Bootsma, Oegstgeest 1992.

Dake, W.J.L.*
Walter Jacobus Leonard Dake (1890-1973) was in 1916-1917 zendingsarts te Bandung. Na zijn promotie (1919) vertrok hij opnieuw naar Nederlands-Indië, waar hij werkte als zendingsarts te Bandung 1919-1925, te Purwakarta 1925-1926, te Bandung 1927-1940, te Mojowarno (Oost-Java) 1940-1943. Na de internering vertrok hij naar Nederland (december 1945), waar hij adviseur en 1951-1955 adjunct-secretaris, 1955-1960 secretaris was van de medische zending der Nederlandse Hervormde Kerk. Hij publiceerde het eerste deel van een beschrijving van het medisch zendingswerk in Nederlands-Indië; zijn aantekeningen voor het tweede deel bevinden zich in het gedeponeerd archief. Literatuur: W.J.L. Dake, Het medische werk van de Zending in Nederlands-Indië, I, Kampen 1972.

Doorn, C.L. van.*
Cornelis Laurens van Doorn (1896-1975) studeerde tropische bosbouw aan de Landbouwhogeschool te Wageningen en promoveerde in 1922 op een dissertatie De credietbehoefte van den Indonesischen landbouwer. In hetzelfde jaar werd hij door de Nederlandse Christen Studenten Vereniging afgevaardigd naar Java voor de arbeid onder studerenden. De eerste twee jaren deed hij voor de dienst Volkscredietwezen van het Indische gouvernement onderzoek naar de economische situatie in de afdeling (bestuurseenheid) Purworejo (Midden-Java), onder meer in de dorpen Tersidilor en Botorejo; dit onderzoek resulteerde in de publicatie Schets van de economische ontwikkeling der afdeeling Poerworedjo (1926).In 1926 begon het pionierswerk onder studenten en leerlingen van middelbare scholen, vanuit Batavia, waar in Kebon Sirih 44 een clubhuis werd geopend. In 1932 werd als vrucht van dit werk de Christen Studenten Vereniging op Java (CSV op Java) opgericht, later voortgezet in de Gerakan Mahasiswa Kristen Indonesia; een jaar later volgde de conferentie van de World Federation of Christian Students te Citeureup bij Batavia. In 1936 droeg Van Doorn zijn taak over aan de Indonesiër Soetjipto. Hijzelf ging met verlof naar Nederland, waar hij een aanvullende opleiding in de theologie volgde en vervolgens door de NZV afgevaardigd werd als zendeling-leraar naar West-Java, standplaats Batavia. Daar deed hij tevens organisatorisch en wetenschappelijk werk ten behoeve van de zelfstandige Gereja Kristen Pasundan. Na de Japanse internering bleef hij nog een jaar te Batavia, waar hij in die verwarde en gevaarlijke periode werk deed ten dienste van Europeanen; van 1946 tot 1948 was hij in Nederland. In juni 1948 arriveerde hij opnieuw in Batavia, nu als zendingspredikant in dienst van de VNZ, met een dubbele opdracht: naast de zendingsarbeid in engere zin zou hij, met steun van de Protestants-Christelijke Arbeiders Internationale (PCAI, in Nederland vertegenwoordigd door het Christelijk Nationaal Vakverbond) en in samenwerking met J.F. Beckmann voorlichting geven over sociale verhoudingen vanuit het Evangelie. In deze laatste functie had hij intensieve relaties met M. Ruppert (voorzitter van CNV en PCAI, met wie Van Doorn in mei-juni 1949 een reis door Indonesië maakte) en W.F. De Gaay Fortman. Het doel: de oprichting van een christelijke vakvereniging in Indonesië, werd niet bereikt, zoals ook een soortgelijke poging in Nederlands Nieuw-Guinea, van K. de Boer en H.J. Moes, mislukte. Vanaf 1 januari 1951 was Van Doorn weer geheel in dienst van de zending. In de volgende jaren was hij onder meer vice-voorzitter van de Komisi Pekabaran Indjil (Zendingscommissie) van de Indonesische Raad van Kerken (DGI) en voorzitter van het curatorium van de Hogere Theologische School te Jakarta. Na zijn terugkeer in Nederland, in 1954, ontwikkelde Van Doorn, in navolging van H. Kraemer, een visie op het lekenapostolaat. In zijn publicaties wees hij op het belang van de sociologie voor de kerk. Van 1955 tot 1963 was hij directeur van het Sociologisch Documentatiecentrum van de NZR, tevens docent aan de Ned. Zendingshogeschool te Oegstgeest (tot 1966). In 1958 verrichtte hij, in opdracht van de Wereldraad van Kerken, een onderzoek naar snelle sociale veranderingen in de kerken van Noord-Rhodesia (Zambia). Literatuur: Artikel in BLGNP V, 148-149 (met bibliografie en literatuurlijst); Paul E. Werkman, Inleiding op de Inventaris van het Archief van de Protestants-Christelijke Arbeiders Internationale, in Hist. Documentatiecentrum Vrije Universiteit te Amsterdam, ingang 155.

Durkstra, E.*
E. Durkstra (1909-1987) werd in 1933 door de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië aangesteld als hulpprediker te Camplong (toenmalige spelling: Tjamplong) in het binnenland van het eiland Timor. In 1935 werd hij overgeplaatst naar Soë, eveneens in het binnenland van Timor (waar in 1937 zijn functieaanduiding evenals die van alle hulppredikers werd gewijzigd in “Indisch-predikant”) en in 1945 naar de hoofdplaats Kupang; in 1947 werd hij daar officieel predikant. Als zodanig begeleidde hij de zelfstandigwording van de Timorese Kerk, de Gereja Masehi Indjili Timor (GMIT, 1947), waarvan hij de eerste synodevoorzitter was (1947-1951). Vervolgens was hij van 1952 tot 1974 predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk. Deze periode werd onderbroken door een vierjarig verblijf op Timor, opnieuw in het binnenland (Oëlolok), waar hij het kerkewerk en de zendingsarbeid in nog grotendeels heidense gebieden co”rdineerde (1967-1971).

Enklaar, I.H.*
Ido Hendricus Enklaar (1911-1994) werd geboren in Princenhage als zoon van een leraar wiskunde aan de KMA te Breda, later predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk. Op “zendingsfeesten” werd zijn belangstelling voor de zending in Nederlands-Indië gaande gemaakt. Na zijn theologische studie te Utrecht (1930-1934), voortgezet te Straatsburg, Aberdeen en Edinburgh (1934-1936) en afgesloten met een doctoraal examen te Utrecht, werd hij predikant te Ambon en vice-voorzitter van de juist autonoom geworden Molukse Protestantse Kerk (Gereja Protestan Maluku) In 1941 werd hij overgeplaatst naar Kupang (Timor), maar reeds na een half jaar volgde de Japanse internering (op Java, 1942-1945) gevolgd door gevangenschap onder de Republiek. Over deze periode kon Enklaar met verwonderlijke gelijkmoedigheid en distantie spreken. Tijdens zijn recuperatieverlof in Nederland (1946-1947) promoveerde hij op de studie De scheiding der sacramenten op het zendingsveld. In 1947-1956 was hij rector en docent van de Theologische School voor Oostelijk Indonesië, eerst op Timor (Soë), later te Makassar, en van 1954 tot 1961 docent in de kerkhistorische vakken aan de Theologische Hogeschool te Jakarta. Na een kwarteeuw Indonesië volgde een loopbaan in Nederland, eerst als wetenschappelijk hoofdmedewerker en kerkelijk docent aan de RU Groningen (1963-1969), daarvoor en daarna aan de Zendingshogeschool te Oegstgeest (1969-1976 rector, vanaf 1971 van het Hendrik Kraemer Instituut). Gedurende zijn Groningse periode was hij vice-voorzitter en waarnemend voorzitter van de Raad voor de Zending. Enklaar bezat een uitzonderlijk grote kennis van de Nederlandse zending in de negentiende en twintigste eeuw. In zijn, zeer leesbare, publicaties op dit gebied gaf hij de voorkeur aan uiterst nauwkeurige registratie van “hoe het eigenlijk was” boven een kritische belichting vanuit de missiologie. Naast zijn dissertatie over een belangrijk zendingsprobleem publiceerde hij een biografie van Joseph Kam, de 19e-eeuwse “apostel der Molukken”, en de bundel Kom over en help ons! Twaalf opstellen over de Nederlandse zending in de negentiende eeuw (1981). In Onze blijvende opdracht. De Nederlandse bijdrage aan wereldzending en werelddiakonaat in een nieuwe tijd (1968, samen met dr. J. Verkuyl) gaf hij een overzicht van de stand van zaken na de heroriëntering van de Nederlandse zending in de jaren vijftig en zestig. Zijn bewerking van Berkhofs Geschiedenis der Kerk in het Indonesisch beleefde tientallen drukken. Zijn in 1988 (na een eerdere deeluitgave in het Nederlands) verschenen Life and work of Dr. J.Th. van der Kemp, 1747-1811, beschouwde hij als zijn magnum opus. Zijn collectie boeken, foto’s en brochures over het Christendom in de Molukken en zijn geschiedenis bevindt zich in het Moluks Historisch Museum te Utrecht. Literatuur: Artikel in BLGNP V, 170-171 (met bibliografie).

Geus-Smelt, M.J. de*
Mevrouw De Geus-Smelt (1908-1971) was van 1957 tot ultimo 1963 secretaris voor vrouwenwerk en publiciteit van de Raad voor de Zending der Nederlandse Hervormde Kerk. Van december 1956 tot februari 1964 was zij hoofdredacteur van het Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk. Zij had tevens zitting in de redactie van de Zendingsjeugdkrant en van Verre Naasten, het driemaandelijks orgaan van de Medische Zending der NHK.

Grijns, C.D.*
Cornelis Dirk Grijns (1924-1999) studeerde (op aansporing van H. Kraemer) Indo-Iranistiek en Indonesische taal- en letterkunde in Utrecht, waar hij in 1952 afstudeerde. Bij J. Gonda beoefende hij tevens het Sanskriet, daarnaast bestudeerde hij het Arabisch. Hij was actief in de NCSV, en in 1947 was hij een van de organisatoren van een studentenpetitie waarin het Nederlandse parlement werd gevraagd het verdrag van Linggajati te accepteren. In 1952 kreeg hij een benoeming van het Nederlands Bijbelgenootschap t.b.v. de nieuwe Indonesische bijbelvertaling. Zoals bij benoemingen in een Ind(ones)ische betrekking gebruikelijk, volgden daarop binnen enkele weken het afstuderen, het huwelijk (met de uit een predikantengeslacht stammende Ariane Spijkerboer), en de afreis naar de plaats van bestemming. Vanaf 1 januari 1953 tot medio 1970 was Grijns betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe bijbelvertaling. Dit project werd tot 1959 nog geleid door het Nederlands Bijbelgenootschap; in 1959 werd het overgenomen door de in 1954 opgerichte Lembaga Alkitab Indonesia (Ind. Bijbelgenootschap). Dank zij de steun van de Indonesische kerkelijke leiders kon hij na 1956, toen vrijwel alle Nederlanders door de Indonesische overheid werden uitgewezen, ter plaatse blijven doorwerken. Daarnaast gaf hij colleges Nieuw-Testamentisch Grieks aan de STT Jakarta en was hij lid van de Komisi Pekabaran Injil van de Indonesische Raad van Kerken (DGI). Tijdens de laatste jaren van zijn dienstverband deed Grijns tevens onderzoek naar het z.g. Jakartaans Maleis (Melayu Jakarta of Bahasa Betawi), het dialect van Jakarta en omgeving. Per 1 februari 1972 werd Grijns benoemd tot hoofdmedewerker in de sectie Indonesische Talen en Culturen van de Leidse Letterenfaculteit. Deze positie bekleedde hij tot zijn emeritering in 1989. In deze jaren had hij tevens zitting in het organiserend comité van de European Colloquia on Indonesian and Malay Studies (vanaf 1977). In 1991 promoveerde hij cum laude op het proefschrift Jakarta Malay: A multidimensional approach to spational variation, (KITLV Press, 2 delen). Literatuur: A. Teeuw, “In Memoriam Cornelis Dirk Grijns”, in Bijdragen KITLV 157/4 (2001) 719-731; J.L. Swellengrebel, In Leijdeckers Voetspoor: Anderhalve eeuw bijbelvertaling en taalkunde in de Indonesische talen, II, 1900-1970, (Haarlem 1978), 265-288.

Gunning, C.H.C.*
Mej. Caroline Henriëtte Constance Gunning (1889-1988), dochter van J.H. Gunning Wzn, classicus en buitengewoon hoogleraar pedagogiek in Utrecht, ontving een opleiding als verpleegster en arriveerde in 1915 in Nederlands-Indië, waarheen zij vertrokken was tegen de zin van de zendingsleiding. Tot 1918 deed zij sociaal werk in Batavia (Jakarta) in het kader van het Genootschap van In- en Uitwendige Zending (GIUZ) aldaar; na een ziekteverlof in Nederland (1919-1921) werd zij in 1921 hoofd van het Meisjeshuis van het Genootschap te Sukabumi en van 1923 tot eind 1927 was zij directrice van het geheel van de Soekaboemische Opvoedings Gestichten (Kleuterhuis, Kinderhuis, Jongenshuis, Meisjeshuis), waar na haar vertrek ook de schrijfster Beb Vuyk enige tijd werkzaam was. In 1927 herbergden de SOG 346 pupillen, vrijwel allen Indo-Europese wezen en halfwezen, die verzorgd werden en een vakopleiding ontvingen. Tijdens een tweede verlof in Nederland (1928-1929) ontving mej. Gunning van de Nederlandse Christen Jonge Vrouwen Federatie (CJVF) de opdracht een Indonesische afdeling van de Young Women’s Christian Association (YWCA) op te richten. In zekere zin was zij dus de vrouwelijke pendant van dr. C.L. van Doorn (zie Gedeponeerd Archief C.L. van Doorn). Dit gelukte, maar in de na-oorlogse periode verdween deze afdeling, om pas in 2001 opnieuw te worden opgericht. Zij was lid van Kerk en Vrede en stond positief t.o.v. de Indonesische nationale beweging. In 1933 verkreeg zij de medewerking van de pas afgestudeerde mr. A.L. (Tine) Fransz (een Indo-Europese), die na de oorlog een belangrijke plaats had in de Indonesische oecumenische beweging. Naast het werk voor de CJVF was zij na haar vertrek uit Sukabumi een aantal jaren bestuurslid van het GIUZ en was zij actief in het Verbond der Vereenigingen Pro Juventute in Nederlandsch-Indië. In 1937 en 1938 publiceerde zij enkele artikelen in het Orgaan van dit Verbond. Gedurende de Japanse bezetting was zij geïnterneerd in het kamp Cideng, Jakarta. Na haar terugkeer naar Nederland was zij een van de vice-voorzitters van het Moderamen van de Verenigde Nederlandse Zendingscorporaties; van 1951 tot 1962 was zij vice-voorzitter van de Raad voor de Zending.
Het archief van C.H.C. Gunning (1910-1956) bevindt zich in het Nationaal Archief, samen met dat van haar vader, J.H. Gunning Wzn, onder toegangsnummer 2.21.205.28 (nrs. 77 t/m 91). Enkele dossiers met haar naam zijn te vinden in de deelinventaris Verenigde Nederlandse Zendingscorporaties van deze inventaris.

Gunning, J.W.*
Dr. Jan Willem Gunning (1862-1923) behoorde zowel van vaders- als van moederskant tot een familie die vele vooraanstaande wetenschappers, theologen en politici telde. Zijn vader was hoogleraar in de chemie; onder zijn ooms waren de bekende ethische theoloog J.H. Gunning J.Hzn, de directeur van de Heldringse Gestichten te Zetten H. Pierson, en de liberale politicus N.G. Pierson (1897-1901 minister-president); de bekende taalgeleerde N. Adriani was een neef. Hij studeerde theologie te Amsterdam (waar hij een jaargenoot was van de door hem bewonderde Jacques Perk en Willem Kloos). Enkele van zijn leermeesters hadden zitting in zendingsbesturen, evenals zijn oom M.A. Adriani. Hij bracht het niet tot een promotie, maar ontving in 1914 de doctorsgraad h.c. van de RU Groningen. Van 1886 tot 1897 was hij predikant bij de Hervormde gemeente van Eerbeek, waar hij ook sociale activiteiten ontplooide. In 1897 werd hij benoemd tot “director van het zendelinghuis” van de NZG te Rotterdam. Als zodanig waren hij en zijn vrouw huisvader en -moeder; het grote gezin Gunning leefde samen met de zendeling-kwekelingen, onder wie zich gedurende enkele jaren ook Hendrik Kraemer bevond. Tevens was hij belast met de opleiding van de kwekelingen. Gunning vatte zijn taak echter veel ruimer op. Hij voerde een grondige reorganisatie van de zending door, zowel in Nederland als overzee. In Nederland was hij de initiator van de eenheidsbeweging in de zending die leidde tot zijn benoeming als director van de UZV en de vorming van de Samenwerkende Zendingscorporaties (zie Inleiding deelarchief SZC). Daarnaast bracht hij de opleiding der zendelingen op hoger peil. In Indië, waarheen hij twee grote inspectiereizen maakte (1900-1901 en 1916-1918), bevorderde hij de co”rdinatie van het zendingswerk door de instelling van Conferenties van Zendelingen op elk zendingsterrein en van het Zendingsconsulaat (zie Inleiding Ged. Archief Zendingsconsulaat). Tegenover regering en bedrijfsleven poneerde hij de zending als een zaak van nationale betekenis; hij is daarom en om zijn lidmaatschap van het “continuation committee” van de Conferentie van Edinburgh wel getypeerd als de “minister van buitenlandse zaken” van de zending. De overheid erkende de betekenis van de zending door Gunning te betrekken bij de reorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië; in zijn tijd kwam de stroom van subsidies voor de arbeid van de zending op het terrein van onderwijs en ziekenzorg op gang; in zijn tijd ook begonnen de grote overgangen naar het Christendom op enkele zendingsterreinen van de SZC. Beide ontwikkelingen waren overigens niet de specifieke verdienste van Gunning alleen; hij had hierin de tijd mee. Vanuit ideologisch gezichtspunt werd de periode-Gunning gekenmerkt door de grote invloed van de ethische theologie op de zending en haar werkwijze overzee, en op de inschakeling van de zending in de “ethische” politiek van de koloniale overheid. Gunning publiceerde een groot aantal artikelen en brochures over de zending; in de zendingsarchieven bevinden zich vele memoranda en nota’s van zijn hand. Literatuur: Artikel in BLGNP II, 228-229 (met literatuurlijst); S.C. Graaf van Randwijck, Handelen en Denken in dienst der Zending, I, (‘s-Gravenhage 1981).

Hildering, H.A.C.*
Zendingspredikant onder de Chinezen op Oost-Java (1932-1952), predikant-directeur van het Zendingshuis te Oegstgeest (1960) H.A.C. Hildering (1898-1986) was lid van de GKN en studeerde theologie aan de VU te Amsterdam. Uitzending naar het zendingsterrein van de GKN in Midden-Java ketste echter af op zijn bezwaren tegen het besluit van de Synode van Assen inzake de historiciteit van de eerste hoofdstukken van Genesis (1926). Als gevolg van dit besluit ontstonden de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, die reeds spoedig ook een taak in de zending voor hun rekening wilden nemen. Na overleg met het NZG werd besloten dat de GK in HV het werk onder de Chinezen van Oost-Java zouden opnemen dat in 1928 door de Methodisten was verlaten. In 1930 werd Hildering afgevaardigd als zendingspredikant. Van medio 1930 tot begin 1932 was hij met zijn vrouw in Zuid-China (Amoy), waar hij zich toelegde op de studie van de Chinese taal en cultuur en kennis nam van het zendingswerk en van de activiteiten van de YMCA in Zuid-Fukien. In maart 1932 begon hij de arbeid in Surabaya. In tegenstelling tot de Methodisten richtte Hildering zich niet alleen tot de Chinees-talige singkeh’s (eerste generatie Chinese immigranten), maar vooral ook tot de veel grotere groep peranakans (Maleis-sprekende Indo-Chinezen, die vaak al generaties lang op Java woonden). Reeds in juli 1932 werd de eerste peranakan-gemeente geïnstitueerd; twee jaar later waren er reeds zeven gemeenten, die vanaf 9 augustus 1934 samen met de ene singkeh-gemeente de Tiong Hoa Kie Tok Kauw Hwee-Khoe Hwee Djawa Timoer (THKTKH-KHDT) of Chinese Kerk van Oost-Java vormde, geleid door de Chinese predikant (pandita) Oei Soei Tiong. In 1940 telde deze kerk 900 leden op een Chinese bevolking van 150.000 zielen. Hildering was adviseur van deze kerk, leidde kerkdiensten en had een functie in de pastorale zorg voor de gemeenten. Een ander zwaartepunt was het werk onder de Chinese jeugd. Hildering gaf enkele jaren les aan de Hollands-Inlandse en Hollands-Chinese kweekschool te Probolinggo, waar onderwijzers voor Nederlandstalige lagere scholen voor Inheemsen en Chinezen werden opgeleid; hij gaf ook les aan de Chinese leerlingen van de Chr. MULO te Surabaya; hij verzorgde catechisaties en was met zijn vrouw, J.A. (Annie) Punt, nauw betrokken bij het z.g. driehoekswerk (christelijke padvinderij). In 1939 kreeg het werk onder de Chinezen een stimulans door het bezoek van dr. John Sung aan Oost-Java (Sung Song Tjiat, 1901-1944, dr. scheikunde, kerkelijk leider en evangelist in China). Vermeldenswaard is ook Hilderings vriendschap met de Japanse Pinksterpredikant Susho Miyahira, die van 1936 tot begin 1939 een Japanse gemeente leidde in Surabaya, door het Indische gouvernement werd uitgewezen op verdenking van spionage, in 1942 terugkwam in het uniform van de Japanse marine, en gedurende de oorlogsjaren veel deed voor de bescherming van de christenen in Zuid- en Midden-Celebes. Tussen 1940 en 1942 was Hildering in dienst van het NZG. Na de internering in 1942-1945 werd Hildering tijdelijk benoemd tot predikant van de Protestantse Kerk. Tijdens het daarop volgend verlof in Nederland kwam Hildering, in dienst van de VNZ, vervolgens de Zending der Ned. Hervormde Kerk, terug in Oost-Java (de GK in HV waren in 1946 gefuseerd met de NHK). Hij werkte daar tot 1952; van 1953 tot 1960 was hij predikant-directeur van het Zendingshuis te Oegstgeest, waar hij samen met zijn echtgenote aan het hoofd stond van het internaat. Als zodanig was hij “gastlid” van het directorium van de Raad voor de Zending. Na zijn emeritaat in 1960 was hij een aantal jaren bijstand in het pastoraat (waarnemend predikant) in de kleine Hervormde gemeente te Elden bij Arnhem. Het persoonlijk archief van Hildering kon de Japanse tijd overleven, eerst doordat Miyahira bij zijn terugkomst het huis van zijn oude vriend onder Japanse bescherming liet plaatsen en later, toen Hildering toch was geïnterneerd, door de moed van de secretaris van de Oost-Javaanse kerk, de onderwijzer Mas Poeger. Die haalde in 1943 het archief, samen met dat van de Oost-Java zending, met een grote kar weg en bewaarde het tot hij het in 1946 kon teruggeven.  Hildering publiceerde een boekje over de Chinese religie: Hau (Bandung, Jeugdcommissie van de NIZB, z.j. [plm. 1940]), enkele artikelen in de zendingstijdschriften De Opwekker en Mededeelingen van het NZG, alsmede een Maleistalig gezangboek Njanjian Rohani.  In het Archief ds. J.J. Buskes (VU, Hist. Documentatiecentrum voor de Gesch. van het Ned. Protestantisme, ingang 291) bevindt zich onder nr. 155 een briefwisseling van Hildering en zijn vrouw met Buskes.

Hoven van Genderen, G. van den*
Gerard van den Hoven van Genderen (1914-1985) kwam in 1939 in dienst van de SZC. Hij werd uitgezonden naar Oost-Java als algemeen schoolbeheerder. Na de Japanse tijd (internering) was Oost-Java een tijdlang voor de Nederlandse zending gesloten; Van den Hoven van Genderen ging naar Jakarta, waar hij aan het Zendingsconsulaat werd geplaatst voor de behartiging van onderwijszaken. Van 1953 tot 1955 had hij de leiding van het landelijk opbouwwerk in Midden-Celebes (Poso). Toen de Nederlanders daar moesten vertrekken werd hij gedetacheerd bij de Badan Penerbit Kristen, de christelijke uitgeverij te Jakarta. In 1960 kwam hij voorgoed naar Nederland terug. Van 1961 tot 1980 was hij secretaris van de Zendingshogeschool (vanaf 1971: Hendrik Kraemer-Instituut). Dit archief bevat veel correspondentie van J. Kruyt. Vermoedelijk maakte deze correspondentie deel uit van de overdracht van het penningmeesterschap van de Conferentie van Zendelingen in Midden-Celebes (Tentena) door J. Kruyt aan G. van den Hoven van Genderen.

Jansen Schoonhoven, E.*
Dr. Evert Jansen Schoonhoven (1904-1995) studeerde theologie te Utrecht en Leiden en promoveerde op het proefschrift Natuur en genade bij J.G. Hamann, den magus van het noorden (1730-1788), (Nijkerk 1945). Hij was secretaris van de NCSV (1929-1931), predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk (1931-1947), rector van de Ned. Zendingshogeschool (1947-1969), buitengewoon hoogleraar zendingswetenschap aan de RU Leiden vanwege de Stichting de Zending der Ned. Herv. Kerk (1962-1967) en vervolgens gewoon hoogleraar aldaar 1967-1974). Buitengewoon hoogleraar was hij Van 1969 tot 1974 was hij tevens directeur van de afdeling missiologie van het Interuniversitair Instituut voor Missiologie en Oecumenica (IIMO) te Leiden, in de totstandkoming waarvan hij een aandeel had gehad. In 1951-1953 was hij gastdocent in Jakarta; in 1962-1963 in Ndoungué, Kameroen. Gedurende een aantal jaren had hij zitting in het moderamen van de Nederlandse Zendingsraad en behoorde hij tot de redactie van het door de NZR uitgegeven populair-wetenschappelijke zendingstijdschrift De Heerbaan. Literatuur: Artikel in BLGNP V, 288-290 (met literatuurlijst).

Kamma, F.C.*
Freerk Christiaans Kamma (1906-1987) werd geboren in Wierum (Friesland) en werkte enige tijd als matroos en bakker. Zijn activiteiten in de Christelijke Jongemannen Vereniging (CJMV) brachten hem in aanraking met de zending. Van 1925 tot 1931 volgde hij de opleiding aan de NZS te Oegstgeest; in 1931 werd hij afgevaardigd naar Nieuw-Guinea als zendeling-leraar. Tot 1942 was hij ressortszendeling in Genyem-Nimboran, Manokwari en Sorong. Tijdens de Japanse bezetting was hij geïnterneerd in Zuid-Celebes; in 1946 repatrieerde hij. Om gezondheidsredenen kon hij niet terugkeren: in de volgende jaren was hij docent aan de Zendingshogeschool, en kreeg hij een studieopdracht die resulteerde in een promotie in de etnologie bij prof. J.P.B. de Josselin de Jong met het proefschrift Messiaanse Koreri-bewegingen in het Biaks-Noemfoorse cultuurgebied, (Den Haag [1954], Engelse editie Koreri. Messianic movements in the Biak-Numfor culture area, Den Haag 1972). In 1955 keerde hij terug naar Nieuw-Guinea, waar hij tot 1962 werkzaam was als terreinleider van de zending en secretaris van de Evangelische Christelijke Kerk. In deze periode nam hij namens de Zending der NHK deel aan de Third South Pacific Conference. Na zijn definitieve terugkeer had hij de supervisie over de vertaling van het Nieuwe Testament in het Biaks, leverde hij een bijdrage aan een gezangboek in die taal, en schreef hij zijn magnum opus Dit Wonderlijke Werk: Het probleem van de communicatie tussen Oost en West gebaseerd op de ervaringen in het zendingswerk op Nieuw-Guinea (Irian Jaya) 1755-1972. Een socio-missiologische benadering, (Oegstgeest 1976, 2e druk 1977, 2 delen; Indonesische vertaling Jakarta 1981/1994, 3 delen). In deze periode verschenen ook enkele publicaties over de Papoese cultuur en mythologie. Kamma was een zeer markant figuur met een ook in de zending buitengewone wil en vermogen zich in te leven in de wereld van de Papoea’s. Het Biaks sprak hij vloeiend, maar hij kende ook meerdere andere talen van westelijk Nieuw-Guinea. Literatuur: Artikel in BLGNP V, 299 -300 (met literatuurlijst); In Memoriam F.C. Kamma, in Bijdragen KITLV 144 (1988) no. 4, 411-418 (met lijst van publicaties).

Kraemer, H.*
Hendrik Kraemer (1888-1965) was zoon van een kleermaker. Hij groeide op in Amsterdam, en werd op twaalfjarige leeftijd na het overlijden van zijn ouders opgenomen in het Hervormde Diakonieweeshuis aldaar. Op zijn zestiende besloot hij zendeling te worden. Wegens zijn op de Zendingsschool (1905-1909) gebleken begaafdheid werd hij door het Nederlands Bijbelgenootschap aangenomen als alumnus, waarna hij Indonesische taal- en letterkunde studeerde te Leiden (1911-1921, promotie 1921 op het proefschrift Een Javaansche primbon uit de 16e eeuw, Leiden 1921) en Islamologie te Parijs en Cairo (1921). In 1922 zond het NBG hem uit naar Java, met als opdracht de revisie van de Javaanse bijbelvertaling, maar daarnaast vooral ook de bestudering van de nieuwere stromingen onder de Javaanse intellectuelen en in de islam en het geven van voorlichting aan de zending over deze zaken. Een van de kanalen voor deze voorlichting was de door hem verzorgde rubriek “Overzichten van de Inheemsche Pers” in het Indische zendingstijdschrift De Opwekker. Hij had een kritische sympathie voor de opkomende Indonesische nationale beweging en had een goede relatie met nationale en islamitische voormannen. Zijn gezag in de zending en de Protestantse Kerk gebruikte hij om de zelfstandigheid van de Indonesische Christenen te bevorderen en te werken voor een reorganisatie van de Protestantse Kerk tot een kerk in presbyteriaanse zin. Zo had hij de hand in de zelfstandigwording van kerken op Java, Sumatra en Celebes en in de Molukken. Zijn uitgangspunt daarbij was, dat zelfstandigheid niet komt aan het einde van een langdurige ontwikkeling, maar aan het begin behoort te staan. Mede op zijn initiatief werd in 1934 de Hogere Theologische School geopend (Bogor, 1936 Batavia). Met het gouvernement en de Indische elite voerde hij strijd over het goed recht van de zending op Bali, die vervolgens door zijn toedoen ter hand genomen werd door de zelfstandige Oost-Javaanse Kerk. Na twee maal zes jaren in Nederlands-Indië (1922-1935) ontving Kraemer, die intussen van de Utrechtse Universiteit een eredoctoraat in de theologie had gekregen, een benoeming tot hoogleraar in de godsdienstgeschiedenis en -fenomenologie) te Leiden (1937-1947). In deze jaren was hij tevens actief in de beweging tot reorganisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk (“Gemeente-opbouw”, “herkerstening”), in het streven naar onderbrengen van de Nederlandse zending bij de Ned. Hervormde Kerk (voltooid in 1951), en in de internationale zendingsbeweging. De International Missionary Council vroeg hem in het kader van de voorbereiding van de derde wereldzendingsconferentie te Tambaram (1938) een boek te schrijven over de benadering van niet-christelijke religies. Dit werd The christian message in a non-christian world, (London 1938), later aangevuld met Religion and the Christian Faith, (London 1956). Kraemer nam zelf deel aan de conferentie van Tambaram, en knoopte daar een reis door Nederlands-Indië aan vast (1938-1939), waar hij opnieuw her en der adviezen gaf inzake kerkelijke zelfstandigheid. In de oorlog was hij enige tijd gijzelaar in St. Michielsgestel (1942-1943). Vanuit zijn apostolaatsvisie was hij een voorstander van de “doorbraak” en nam hij deel aan de oprichting van de Partij van de Arbeid (de Nederlandse Volksbeweging, 1945-1951). In 1947 werd Kraemer directeur van het Oecumenisch Instituut op Chateau de Bossey bij Genève. Op de eerste Assemblee van de Wereldraad van Kerken (WCC) in Amsterdam 1948 was hij voorzitter van de tweede sectie; ook daarna werd hij bij allerlei overleg in de Wereldraad betrokken. In zijn laatste jaren pleitte hij voor een opwaardering van de niet-ambtsdrager (“leek”) in de kerk. Publicaties en archief van H. Kraemer zijn beschreven in M. Dirkzwager (ed.), Hendrik Kraemer, Bibliografie en Archief, No. 22 Reeks IIMO, 1988 (zie hierna, EB 1731). Literatuur: Artikel in BLGNP I, 104-111 (met literatuurlijst); H. Kraemer, From Missionfield to Independent Church, (Den Haag 1958); A.Th. van Leeuwen, Hendrik Kraemer, Dienaar der Wereldkerk (Amsterdam 1959).

Kruyt, A.C.*
Albertus Christiaan Kruyt (1869-1949) werd geboren te Surabaya als zoon van de pionier-zendeling J. Kruyt van Mojowarno (Oost-Java). Als zevenjarige vertrok hij naar Nederland, waar hij woonde in het tehuis voor zonen van zendelingen te Rotterdam (zie Inleiding Gedeponeerd Archief Stichting Elisabeth-fonds). Hij ontving onderwijs op enkele privé-scholen en aan de opleidingsschool van het NZG, waarna hij in 1890 als zendeling naar Celebes vertrok. Na een korte tijd in Gorontalo vestigde hij zich in het Poso-gebied, waar hij veertig jaar zou werken. Samen met zijn collega’s stichtte hij (vanaf 1909) gemeenten die in 1947 zich aaneensloten tot de Gereja Kristen Sulawesi Tengah, de Christelijke Kerk van Midden-Celebes. De bevolking van het gebied werd in Kruyts tijd nog aangeduid als “Toradja’s”; tegenwoordig is die naam alleen in gebruik voor de bewoners van het zuidelijke berggebied, tussen de Golf van Bone en de Straat van Makassar (Rantepao-Makale, Mamasa, en omliggende gebieden). In de lijn van de ethische missiologie die in het laatste kwart van de negentiende eeuw in opkomst was, verdiepte Kruyt zich in de cultuur en de religie van de bevolking. Zijn naaste collega daarin was N. Adriani, afgevaardigde van het Nederlands Bijbelgenootschap, die zich vooral toelegde op de taal en letterkunde als expressie van die cultuur. Beiden werden internationaal bekend; Kruyt als etnograaf (beoefenaar van de beschrijvende volkenkunde). Hij verrichtte ook onderzoek in andere delen van de Indonesische Archipel en maakte daarvoor meerdere lange reizen. Hij plaatste zijn onderzoeksgegevens in een evolutionistisch kader, waarbij het Christendom het eind- en hoogtepunt was van een ontwikkeling beginnend bij dynamisme en leidend tot monotheïsme. Christendom en lokale religie zijn geen absolute tegengestelden; in overeenstemming daarmee wilde Kruyt de lokale cultuur in gekerstende vorm conserveren en beschermen tegen vreemde invloeden. Daarom bevorderde de zending het gebruik van de landstaal in de kerk en stond zij ook afwijzend tegen het gebruik van het Maleis en het Nederlands in de school. Een onbedoeld gevolg was dat in Poso, evenals in andere gebieden waar de SZC werkten, geen nieuwe elite werd gevormd, die kon functioneren in de opkomende moderne samenleving, eerst in Nederlands-Indië, later in het onafhankelijke Indonesië. Na zijn terugkeer naar Nederland (1932) bekleedde Kruyt diverse bestuursfuncties. Hij was lid van het NZG-bestuur en van het kernbestuur van de SZC/VNZ, van het bestuur van het Kon. Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden, en van SIMAVI. Daarnaast was hij vanaf 1933 lid van de Kon. Ned. Academie van Wetenschappen (KNAW) en werd hij corresponderend lid (1934: erelid) van het Kon. Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en erelid van het Aardrijkskundig Genootschap (1933), waarvan hij al sinds 1899 correspondent was geweest. Reeds in 1903 had hij voor zijn etnologisch werk een ridderorde gekregen en in 1913 had de Universiteit van Utrecht hem een eredoctoraat in de theologie geschonken. Aan de Ned. Zendingsschool te Oegstgeest verzorgde hij lessen in etnologie en andere vakken. In deze jaren deed hij ook nog een groot aantal publicaties het licht zien, onder meer de vertaling van het Nieuwe Testament in het Bare’e (1933), door Adriani begonnen, en door Kruyt afgerond met hulp van de taalambtenaar S.J. Esser. Kruyts opus magnum is “De Bare’e-sprekende Toradja’s van Midden-Celebes” (Batavia 1912-1914, 3 delen, waarvan het derde door N. Adriani). In 1938 volgde het tweede grote werk, De West-Toradja’s van Midden-Celebes (Amsterdam 1938). Daarnaast is te noemen Het animisme in den Indischen archipel (‘s-Gravenhage 1906). Zijn ideeën over de opklimming van dynamisme naar monotheïsme zijn het duidelijkst neergelegd in zijn Van Heiden tot Christen (Oegstgeest [1925]). Een volledige bibliografie is te vinden in G. Noort, De weg van magie tot geloof, 543-564. Naast het Gedeponeerd Archief A.C. Kruyt zijn er nog andere archivalia, die in het bezit zijn van de familie Kruyt. Ruggengraat van het GA zijn de dagboekbrieven. Kruyts correspondentie in het GA omvat voornamelijk brieven aan hem aan de betreffende personen; brieven van Kruyt aan hen zijn gedeeltelijk aanwezig in afschrift. Voorafgaand aan de overdracht aan Oegstgeest, heeft Kruyt zoon Jan al te persoonlijk geachte correspondentie vernietigd, zo de brieven van Kruyts broer Hendrik en de brieven betreffende het overlijden van zijn dochter Miep. Literatuur: Artikel in BLGNP I, 111-113 (met selectieve literatuurlijst); Gert Noort, De weg van magie tot geloof: Leven en werk van Alb. C. Kruyt (1869-1949), zendeling-leraar in Midden-Celebes, Indonesië (Zoetermeer 2006, met volledige bibliografie en een overzicht van het GA A.C. Kruyt). Over Kruyts familie-achtergrond: Fiep Kruyt, De Kruyten van Mojowarno, ongedrukt, 1e uitgave Oegstgeest 1982, 3e uitgave 1984.

Kruyt, J.*
Johannes (Jan) Kruyt (1893-1978) werd geboren te Gorontalo als zoon van A.C. Kruyt. Hij vertrok op jeugdige leeftijd naar Nederland, waar hij opgeleid werd tot zendeling en het onderwijzersdiploma behaalde. In oktober 1916 kwam hij terug in Midden-Celebes. Hij werkte daar een aantal jaren als ressortszendeling. Van 1922 tot 1924 was hij als vervanger van zijn vader waarnemend directeur van de onderwijzersopleiding te Pendolo; na vier jaar studie in Nederland voor de acten Maleis en Land- en Volkenkunde werd hij in 1929 opnieuw directeur, tot zijn definitieve vertrek in 1953. J. Kruyt schreef een geschiedenis van het zendingswerk in Miden-Celebes onder de titel Het Zendingsveld Poso. Geschiedenis van een konfrontatie (Kampen 1970, Indonesische uitgave Kabar Keselamatan di Poso, Jakarta 1977).

Linde, S. van der*
Sybolt van der Linde (1902-1995) volgde de zendingsopleiding en studeerde enige tijd Arabisch (1921-1928). Van 1930 tot 1938 was hij zendeling-leraar te Cirebon (Cheribon) aan de noordkust van West-Java en van 1940-1942 docent aan de Bale Wiyata te Malang (Oost-Java). Na de internering werd hij legerpredikant (1946-1954), waarna hij enige jaren predikant was in de Protestantse Kerk in Indonesië (1954-1959). Van 1960 tot 1968 was hij predikant voor buitengewone werkzaamheden in de Nederlandse Hervormde kerk. S. van der Linde was ongehuwd. Literatuur: Th. van den End, De Nederlandse Zendingsvereniging in West-Java, 1858-1963, [z.p., 1991].

Locher, G.P.H.*
Dr. G.P.H. Locher werd geboren in 1910 uit een predikantengeslacht dat uit Zwitserland stamde. Hij studeerde theologie te Leiden en was betrokken bij het werk van de Ned. Christen Studenten Vereniging, waarvan hij in 1935-6 voorzitter was. Het was zijn wens in dienst van de zending uit te gaan – het kwam in die periode zelden voor dat een theoloog zich voor de zending beschikbaar stelde – maar de slechte staat van de zendingsfinanciën maakte uitzending onmogelijk. Daarom vertrok hij als predikant naar Nederlands-Indië (1936) waar hij, als 26-jarige, te Kupang de leiding kreeg over de gemeenten van de Protestantse Kerk in de residentie Timor en Onderhoorigheden. Na vijf jaar vertrok hij naar de Minahassa, waar hij voorzitter werd van de Synode van de Gereja Masehi Indjili di Minahasa, de Evangelisch-Christelijke Kerk in de Minahassa. In januari 1942 werd hij door de Japanse overheid ge nterneerd. Na de bevrijding uit het kamp was hij ruim een jaar predikant van de Portugese Kerk te Jakarta, vervolgens van mei 1947 tot december 1948 van de Duinoordkerk te DenHaag. Aan het einde van deze Nederlandse periode promoveerde hij bij prof. K.H. Miskotte op een dissertatie “De Kerkorde der Protestantse Kerk in Indonesië” [Amsterdam 1948], handelend over de omvorming van de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië/Indonesië tot een vier autonome deelkerken omvattende federale kerk met een presbyteriale kerkorde, een langdurig proces dat was voltooid in de jaren 1934-1948. Vervolgens was Locher korte tijd predikant te Makassar. Na zijn definitieve repatriëring in 1950 werd hij Indonesië-secretaris van de nieuw-gevormde Raad voor de Zending der Nederlandse Hervormde Kerk. In deze functie keerde hij zich tegen het opleggen van westerse modellen aan de kerken overzee. In 1966 werd hij, als opvolger van mr. S.C. Graaf van Randwijck, algemeen secretaris van de Raad, hetgeen betekende dat hij de dagelijkse leiding had van het gehele buitenlandse zendingswerk van de NHK. Hij vervulde deze functie tot zijn overlijden in oktober 1970. Daarnaast was hij bestuurslid van de Nederlandse Zendingsraad en consultant member van het Department for World Mission and Evangelization van de Wereldraad van Kerken. Literatuur: J. van Slageren, “Locher, Gerrit Paul Hendrik”, lemma in BLGNP V, 347-348; Elsbeth Locher-Scholten, “Twintigers in de tropen. In dienst van de Protestantse Kerk op Timor 1936-1941″, in: Chr.G.F. de Jong, Een vakkracht in het Koninkrijk. Kerk- en zendingshistorische opstellen, (Heerenveen, Groen: 2005), p. 193-212.

Neumann, H.*
Henk Neumann (1916-omstreeks 2002) was een zoon van J.H. Neumann, die van 1900 tot 1949 in Karoland (destijds Residentie Sumatra’s Oostkust, na 1945 provincie Noord-Sumatra) als zendeling-leraar werkzaam was in dienst van het NZG en de SZC, zich daar had ontwikkeld tot kenner van de Karotaal en -cultuur, maar ook de leprozerie Lau si Momo stichtte. Zijn jongste zoon, Henk, was gedurende een aantal jaren samen met zijn broers en zusters in Nederland voor een schoolopleiding, maar keerde daarna naar Sumatra terug. Een opleiding op farnaceutisch gebied bleef door de komst van de Japanners onvoltooid. Hij werd geïnterneerd en te werk gesteld aan de Pakanbaroe-spoorweg, waarover hij later enkele publicaties uitgaf (gedeponeerd archief in Bronbeek, Arnhem). Na 1945 ging hij voor medische verzorging naar Nederland, waar hij zijn (eerste) vrouw, C.A. Sonnega, leerde kennen. Samen kwamen zij terug in Sumatra (1948), waar ze beiden in gouvernementsdienst in het vroegere zendingsziekenhuis te Kabandjahe werkten: hij als hoofd van de financiële administratie, zijn vrouw als verpleegster. Directeur was toen (1948-1951) dr. A. Scheurkogel, door de Vrije Evangelische Gemeenten uitgezonden als zendingsarts. Door het hoofd van de DVG in Medan werd hij tevens benoemd als beheerder van de leprozerie Lao si Momo, welke functie hij met groot verantwoordelijkheidsgevoel en buitengewone creativiteit vervulde. Hij bedacht en vervaardigde hulpmiddelen voor verminkte lepra-pariënten en indien nodig verrichtte hij zelf operaties – het was in het vroegere Indië niet geheel ongebruikelijk dat leken chirurgische ingrepen verrichtten. Van 1958 tot 1960 had hij een technisch bedrijf in Medan; in 1960 keerde hij met zijn gezin naar Nederland terug.
De beide hieronder genoemde dossiers werden in 1996 overgedragen door de heer H. Neumann

Randwijck, S.C. Graaf van*
Mr. Steven Cornelis Graaf van Randwijck (1901-1997) werd geboren te Leeuwarden als zoon van J.C. graaf van Randwijck, 1912-1941/6 burgemeester van Amersfoort. Jhr. B.C. de Jonge, 1930-1936 gouverneur van generaal van Nederlands-Indië, was een neef. Een voorvader was in 1730 door keizer Karel VI in de gravenstand verheven, maar Van Randwijck wilde deze titel niet gebruiken en schreef hem daarom met een hoofdletter. Na zijn gymnasiumtijd was hij een jaar in Woodbroke, centrum van de Society of Friends. Hij studeerde rechten in Utrecht en was vervolgens enige tijd secretaris van de Hoge Commissie van de Volkenbond in Danzig. Van 1929 tot 1942 was hij Zendingsconsul in Batavia (zie de Inleiding op het Gedeponeerd Archief Zendingsconsulaat). Na de Japanse internering was hij 1946-1951 zendingsdirector van de VNZ en 1951-1966 Algemeen Secretaris (later: Secretaris Algemene en Buitenlandse Zaken) van de Raad voor de Zending der Nederlandse Hervormde Kerk; daarnaast bekleedde hij de functie van vice-voorzitter van de Nederlandse Zendingsraad. In deze functies had hij een belangrijk aandeel in het beleid van de zending te midden van een veranderende situatie, die gekenmerkt werd door de feitelijke zelfstandigwording van formeel reeds voor 1942 zelfstandig geworden en de zelfstandigverklaring van een aantal andere Indonesische kerken, door de dekolonisatie van Indonesië en het geschil met dat land over de status van Nieuw-Guinea, en de verlegging van het zwaartepunt van de van Oegstgeest uitgaande zendingsarbeid naar Afrika. Na zijn emeritering was hij nog enkele jaren lid van de Raad. Hij publiceerde “Handelen en Denken in dienst der Zending: 1897-1942″, (‘s-Gravenhage 1981), een studie over het beleid van de Samenwerkende Zendingscorporaties in Nederland en overzee gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw. Uit de gedeponeerde archieven kan worden afgeleid dat het privé-archief van Van Randwijck uit de periode tot 1942 in de oorlog verloren is gegaan, evenals het archief van het Zendingsconsulaat uit die periode.

Rasker, A.J.*
Albert Jan Rasker (1906-1990) studeerde theologie te Groningen en Zürich (promotie Groningen 1935), en was predikant in de Ned. Hervormde Kerk van 1931 tot 1939. In de periode 1939-1949 (onderbroken door Japanse internering en verblijf in Australië 1942-1946) was hij docent, enkele jaren tevens rector, van de Hogere Theologische School (HThS) te Batavia/Jakarta. Op de tweede Algemene Synode van de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië was hij aanwezig als adviserend lid. Na 1946 was hij enige tijd lid van het Kerkbestuur van deze kerk en als zodanig aanwezig op de derde Algemene Synode van deze kerk (1948). Van 1949 tot 1954 was Rasker predikant in Nederland; in 1954 werd hij benoemd tot hoogleraar vanwege de NHK aan de Rijks-Universiteit Leiden (tot 1974). De atoombommen van augustus 1945 en de verwikkelingen in verband met de dekolonisatie van Indonesië (1945-1949) maakten hem gaandeweg kritischer jegens de Nederlandse politiek en de “christelijke” cultuur van het Westen. Hij was een van de initiatiefnemers van de synodale oproep tot bezinning op de status van Nieuw-Guinea (1956) en richtte een Nederlandse afdeling op van de Praagse Vredesconferentie (dialoog met het marxisme, vriendschap met de Praagse theoloog J. Hromádka). Rasker was tevens actief bestuurslid van het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers, ontstaan vanuit de zorg om de atoombewapening en de rol van wetenschappers daarin. Hij schreef een standaardwerk op het gebied van de recente Nederlandse kerkgeschiedenis: De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 (Kampen 1974, 2e en 3e herziene editie in 1981 en 1986). Een deel van de schriftelijke nalatenschap van dr. Rasker uit de jaren 1929-1959 berust nog bij de familie Rasker. Het zwaartepunt van deze collectie ligt in de Indonesische jaren. De correspondentie bestaat voornamelijk uit brieven gericht aan Rasker; verder is er o.m. een reisdagboek Celebes-Molukken (1939). Literatuur: artikel in BLGNP V, 416-418. Een aantal nauwelijks bekende artikelen van Raskers hand is te vinden in het door hem samen met twee collega’s aan de HThS opgerichte tijdschrift Theologische Stemmen, uitgave van de HThS te Batavia (februari-december 1941, 6 afleveringen). Gegevens betreffende Raskers bijdrage op de Derde Algemene Synode van de PK zijn te vinden in de zeer uitvoerige gestencilde notulen (Nederlands en Indonesisch). Zijn standpuntbepaling inzake de status van Nieuw-Guinea wordt beschreven in Hans van de Wal, Een aanvechtbare en onzekere situatie: De Hervormde Kerk en Nieuw-Guinea 1949-1962 (Hilversum 2006).

Schuyt, P.*
P. Schuyt (1884-1981) volgde de opleiding aan de Zendingsschool van het NZG, en was daarna van 1908 tot 1917 en van 1919 tot 1924 zendeling-leraar te Kuku (Midden-Celebes). Omdat hij, “een geboren arts”, zich vooral aangetrokken voelde tot de medische kant van het zendingswerk en zich daarin nader wilde bekwamen, was hij 1917-1919 werkzaam in het Petronella-zoekenhuis van de Gereformeerde Zending te Yogyakarta. Hij geraakte echter in conflict met A.C. Kruyt, de informele leider van het werk in Poso. Die had er bezwaar tegen dat Schuyt, om de bevolking te beschermen tegen uitbuiting door Chinese en Arabische handelaars, systematische handelsactiviteiten opzette en winkeltjes opende, en verschilde met Schuyt van mening inzake het kerstenen van de oude rituelen voor de overledenen door de invoering van een grafreinigings-ritueel op het Paasfeest. De voornaamste oorzaak van spanningen was Schuyts streven naar een gecentraliseerde en zo professioneel mogelijke opzet van de medische “hulpdienst”. Kruyt zag de medische dienst als een middel om in het vroege stadium waarin de Poso-zending nog verkeerde het vertrouwen van de bevolking te winnen, en legde daarom de nadruk op hulpverlening door individuele zendelingen. In 1924 repatrieerde Schuyt, waarna hij te Leiden de studie voor arts volgde (1924-1928). Graag was hij daarna naar Poso teruggekeerd, maar dit werd hem niet toegestaan, hetgeen hij weet aan tegenwerking door A.C. Kruyt en diens zoon J. Kruyt. Schuyt werkte vervolgens als huisarts in Nederland. Het is nooit gekomen tot een verzoening tussen Schuyt enerzijds en de Kruyten anderzijds.
P. Schuyt schreef een zendings-jeugdboek, Bando, de vioolspeler. De dossiers in dit Gedeponeerd Archief werden alle aangetroffen in het particulier archief van dr. I.H. Enklaar. Literatuur: J. Kruyt, Het zendingsveld Poso (Kampen 1970); G. Noort, De weg van magie tot geloof (Zoetermeer 2006).

Storm, G.C.
De Amsterdammer Gerard Christiaan Storm (1894-1941) verbleef in het internaat Ruimzicht te Doetinchem (zie Ged. Archief 4.5) en volgde daar de eerste vier klassen van het gymnasium. Van 1917-1919 volgde hij de tweede klasse van de NZV-opleidingsschool, waarna hij het examen voor hulpprediker aflegde; wegens opheffing van de NZV-opleiding ging hij daarna over naar de Nederlandse Zendingsschool te Oegstgeest. In december 1921 arriveerde hij op het zendingsterrein van de NZV in Zuidoost-Celebes, waar hij zendeling-leraar was te Taubonto. De kosten voor zijn werk werden gedragen door het Tasikmalaja-Comité te Amsterdam, een hulpvereniging van de NZV. In 1937 keerde Storm terug naar Nederland. De dictaatcahiers werden in 1990 overgedragen door mevr. A. Jansen-Storm te Harderwijk, dochter van G.C. Storm.

Swaan-Koopman, C.*
Ir. Constance C.C.J. Swaan-Koopman (1897-1961) werd geboren te Groningen. Zij studeerde als eerste vrouw (pas in 1959 kwam de tweede) werktuigbouwkunde te Delft (1915-1921) en vertrok samen met haar man, Ir. W. Swaan, in 1922 naar Nederlands-Indië. In Delft waren beiden lid geweest van de Ned. Chr. Studentenvereeniging (NCSV); op Java werden zij actief in de Vereeniging Indische Oud-leden der NCSV (VIO-NCSV). Mevr. Swaan-Koopman was onder meer lid van de redactie van het verenigingsorgaan Mededeelingen VIO-NCSV. Haar talent als schrijfster bleek ook in haar Vrouwen in Indië (Amsterdam 1932), geschreven nadat zij tijdens een verlof ontdekte dat vrouwen in Nederland niets over het leven in Indië wisten. Over het werk van haar man als waterstaats-ingenieur op Java vertelde zij in Water over Sawah’s (Amsterdam 1949). Daarnaast verscheen van haar hand een groot aantal publicaties: zendingsliteratuur, over sociale kwesties, vele jeugdboeken. De jaren van de Japanse bezetting bracht zij door in een interneringskamp; na de oorlog was zij hoofd van het Publicatiebureau Protestantse Kerk en Zending, te Jakarta. Medio 1948 vertrok het gezin Swaan-Koopman naar Nederland. Daar bleef mevr. Swaan-Koopman publiceren tot haar overlijden in 1961. Haar man was vanaf de oprichting in 1951 lid van de Raad voor de Zending der Ned. Hervormde Kerk.

Verdoorn, J.A.*
Johannes Adrianus Verdoorn (1903-1991) Hij studeerde medicijnen en vertrok in 1932 naar West-Java, waar hij als zendingsarts werkzaam was te Bandung (1932-1935), Purwakarta (1935-1936) en Sukabumi (1937-1939). Doordat hij in 1939 met verlof ging ontsnapte hij aan Japanse internering. In 1947 keerde hij in gouvernementsdienst terug naar Java, waar hij 1948-1950 werkte als particulier arts. Van 1950 tot 1954 en 1957 tot 1960 was hij weer zendingsarts te Sukabumi. Verdoorn hoorde tot de kleine groep jongere zendingsarbeiders die in de jaren dertig openstond voor de idealen van de Indonesische nationale beweging. Na het einde van de oorlog pleitte hij voor een royaal tegemoet treden van de Republiek. In 1945 publiceerde hij “De Zending en het Indonesisch Nationalisme” (Amsterdam, Volkspaedagogische Bibliotheek, deel 1). Literatuur: Th. van den End, De Nederlandse Zendingsvereniging in West-Java, 1858-1963. Een bronnenpublicatie (Alphen aan den Rijn 1991).

Visch, H.J.*
Hendrik Jan Visch (1919) werd geboren te Maria Hoorebeeke in Vlaanderen als zoon van ds. J.J. Visch, predikant in de Belgische Nationale Kerk. Zijn moeder was een kleindochter van H.A. Gerritsen, de bekende directeur van “De Klokkenberg” te Nijmegen en een nicht van de hofprediker J.H. Gerritsen. Na de HBS en een jaar medische studie te Gent, met de bedoeling uit te gaan als zendingsarts, meldde Visch zich aan bij de NZS te Oegstgeest, waar hij vanaf 1938 de opleiding tot zendeling-leraar volgde met als zwaartepunten Javaans, Arabisch, en islam, m.h.o. op uitzending naar Oost-Java. In 1942 had de ordening plaats, maar door de oorlogsomstandigheden en de Indonesische revolutie van 1945 en volgende jaren moest de uitzending worden uitgesteld. In die periode werkte Visch als voorganger van een evangelisatie (filiaalgemeente) en volgde hij samen met zijn vrouw, de predikantsdochter Cor Tonsbeek, die eveneens de studie aan de NZS had voltooid, een eenjarige cursus voor zendelingen aan Cornell University, Ithaca (NY). In 1948 vertrokken beiden naar Bali. Daar waren vanaf 1929 enkele gemeenten ontstaan (eerste doop in 1931 door een zendeling van de Christian and Missionary Alliance). Tegenover het gouvernement en de Europese elite in Nederlands-Indië, had Kraemer gepleit voor het goed recht van de christelijke zending. Deze gemeenten hadden zich in 1937 aaneengesloten tot de “Pasikian Kristen Bali”, vanaf 1949 “Gereja Kristen Protestan (di) Bali” (GKPB), met aanvankelijk omstreeks 2.000 leden. Door hun openheid voor de nationale strijd van de Indonesiërs verwierf het echtpaar zich een plaats in de Balinese samenleving. Desondanks moesten zij zich in 1951 wegens de oplopende politieke spanningen tijdelijk van het eiland terugtrekken; pas in 1953 konden zij terugkeren. Intussen was Visch, in het kader van de inbedding van de zending in de kerk, zendingspredikant van de Ned. Hervormde Kerk geworden; zijn vrouw werd in 1980 bevestigd als predikante van de NHK. Het echtpaar Visch woonde midden tussen de Balinezen en maakte alles wat de samenleving beroerde van nabij mee, inclusief de bloedige wraaknemingen na de staatsgreep van 30 september 1965. Kenmerkend voor hun werkwijze was, dat er geen methode was: zij hadden geen grootse visioenen, maar stonden eenvoudig open voor de Balinezen, die dag en nacht in hun huis welkom waren en van die gastvrijheid ook gebruik maakten. Zij zelf leerden nooit vloeiend Balinees spreken (de voertaal in het werk bleef Indonesisch, hetgeen trouwens in lijn was met het nationale eenheidsstreven van die jaren), maar hun kinderen leefden het leven van de desa-kinderen, inclusief de taal. Overigens moesten die kinderen reeds op jonge leeftijd voor hun opleiding naar Nederland; zij woonden daar bij het gezin Quispel-Tonsbeek te Bilthoven. Het echtpaar Visch behoorde tot de laatste zendingsarbeiders die dit offer moesten brengen. Ds. Visch was docent aan de theologische opleiding te den Pasar, mevr. Visch gaf daar de vakken Nieuwe Testament en Engels. Visch verleende verder hand- en spandiensten in de kleine Balische gemeente te Den Pasar, en lid van de synode, inclusief enkele commissies, zo een tijdlang voor de commissies voor kerkelijk onderricht (hij schreef een catechisatieboekje) en voor evangelisatie. Hij had ook enige tijd de leiding van het colportagewerk van de Balische Kerk. Hun verblijf werd enkele malen onderbroken door verlof in Nederland; na een van die verloven bezochten zij christelijke centra in Zuid-India en Sri Lanka. In 1971 kregen zij het verzoek in Irian (Nieuw-Guinea) te gaan werken omdat de Gereja Kristen Indonesia-Irian Jaya, na het vertrek van bijna alle Nederlandse zendingsarbeiders in 1962-1963, Oegstgeest had gevraagd om iemand met Indonesië-ervaring. Het echtpaar Visch diende het vormings- en toerustingswerk van de GKI-Irja van 1971 tot begin 1979. Na zijn definitieve terugkeer in Nederland werd Visch aangesteld als stafmedewerker van de secretarissen van de Raad voor de Zending. Zijn voornaamste taak was het secretariaat van de commissie die zendingsarbeiders selecteerde.
Doordat het echtpaar Visch intensief contact hield met de ouders en later ook de kinderen in Nederland, en de correspondentie vrijwel geheel bewaard is gebleven, bevindt zich in dit archief een zeer groot aantal brieven die een privé-karakter hebben. In 2003 verscheen een selectie uit deze brieven in druk: Pelter. Brieven van Henk Visch en Cor Tonsbeek uit Bali, 1948-1971, bewerkt door dr. Th. van den End (Zoetermeer 2003).

Wiersema, J.S.*
J.S. Wiersema (1907-1981) studeerde medicijnen te Groningen (1930 artsexamen). Hij werkte als zendingsarts in Midden-Java (1930-1933 Solo, 1933-1937 Klaten). Zoals vele zendingsarbeiders was hij een generalist, die drie specialismen beoefende (chirurgie, gynaecologie, urologie). In 1937 vertrok hij met studieverlof naar Nederland, waar hij in 1940 promoveerde. Omdat de oorlog terugkeer naar Indië onmogelijk maakte, was hij in de oorlogsjaren als arts werkzaam in Nederland. In 1943 werd hem de begeleiding van voor Indië bestemde artsen opgedragen en werd hij lid van de (Gereformeerde) commissie voor de vooropleiding (van zendingsarbeiders). In 1945 ging hij zelf weer uit als arts in NICA-verband en was hij betrokken bij de plaatsing van uitgezonden artsen en verpleegsters; omdat Nederlanders in die jaren niet welkom waren in Midden-Java werkte hij van 1946 tot 1949 als arts (vanaf 1947: als geneesheer-directeur) in het KPM-ziekenhuis te Jakarta. In 1949 repatrieerde hij. In Nederland was hij geneesheer-directeur van het Stadsziekenhuis te Kampen, waar hij tot zijn dood actief bleef. Hij was in deze jaren tevens voorzitter van de Commissie voor Medische Zending van de Zending der Gereformeerde Kerken. Het privé-archief van dr. Wiersema is na zijn dood verloren gegaan. In het Archief van de Geref. Kerken in Nederland (generaal deputaatschap voor de zending, regionale organen, zendingscentrum) bevindt zich een aantal dossiers met documenten van en betreffende J.S. Wiersema.